Je kind slaapt slecht. Is slaaptraining dan de oplossing?
Bijgewerkt op: 29 aug
Over slaaptraining, laten huilen en waarom ik liever eerst kijk naar wat er écht speelt

Je kind slaapt slecht. Je bent moe. Je zoekt naar een oplossing.
En als je online gaat zoeken, krijg je al snel heel veel informatie. Misschien zelfs té veel. De ene website zegt dat je je kind nooit moet laten huilen. De andere zegt dat je een kind moet leren om zelfstandig in slaap te vallen en dat huilen daarbij hoort. Je leest over slaaptraining, gecontroleerd laten huilen, cry it out, slaapcoaches, wakkertijden en allerlei slaapschema’s en stappenplannen.
En het lastige is: veel van die informatie wordt met grote stelligheid gebracht, terwijl de adviezen elkaar soms lijnrecht tegenspreken.
Voor je het weet, ben je vooral op zoek naar de juiste methode, de ideale wakkertijd of het perfecte slaapschema. Maar misschien missen we daardoor wel de kern:
Waarom slaapt mijn kind eigenlijk niet goed?
Kijk eerst naar het waarom
Slaaptraining kan een manier zijn om een slaappatroon te veranderen. Maar voordat je een methode kiest, vind ik het belangrijk om eerst te begrijpen wat er achter het slaapprobleem zit. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom je kind moeilijk inslaapt, vaak wakker wordt of vroeg wakker is.
Denk bijvoorbeeld aan hoe de slaap over de dag verdeeld is. Past de hoeveelheid en timing van de dutjes bij wat jouw kind nodig heeft? Is je kind bij bedtijd voldoende moe om te kunnen slapen?
Ook wat er overdag gebeurt heeft invloed op de nacht. Voldoende daglicht en beweging helpen bijvoorbeeld om het dag-nachtritme te ondersteunen. En een kind dat veel spanning, stress of prikkels heeft opgebouwd, kan bij bedtijd moeilijker tot rust komen.
Daarnaast kan de manier waarop de overgang naar de nacht verloopt een rol spelen. Hoe ziet het bedritueel eruit? Is er voldoende rust? Zijn er veel strijdmomenten rondom bedtijd? En zijn er andere omstandigheden die op dit moment invloed hebben op de slaap?
Daarnaast kan lichamelijk ongemak invloed hebben op de slaap. Denk bijvoorbeeld aan pijn, jeuk, refluxklachten of andere lichamelijke factoren. Ook eerdere ingrijpende ervaringen of veranderingen kunnen invloed hebben op hoe een kind reageert rond het slapen. Daarom is het belangrijk om niet ieder slaapprobleem meteen te zien als een slaappatroon dat aangeleerd of afgeleerd moet worden.
Ook de leeftijd en ontwikkeling van je kind spelen mee. Wat passend is voor een jonge baby, hoeft niet hetzelfde te zijn als wat passend is voor een dreumes of peuter. Bij een jonge baby staat co-regulatie nog sterk op de voorgrond. Naarmate kinderen ouder worden, ontwikkelen ze steeds meer mogelijkheden om zichzelf te reguleren en krijgen ze meer begrip van routines, verwachtingen en grenzen.
Een jonge baby die rond het slapen veel huilt, kan bijvoorbeeld honger hebben, lichamelijk ongemak ervaren of behoefte hebben aan nabijheid. Bij een peuter kan huilen rond bedtijd ook betekenen: “Ik wil niet dat je weggaat” of “Ik vind deze grens niet leuk.”
Er is dus niet één knop waaraan je kunt draaien om slaap te verbeteren. Vaak is het juist de combinatie van verschillende factoren die maakt dat een kind wel of niet goed kan slapen.
Daarom zou ik niet beginnen met de vraag: “Welke slaapmethode moeten we gebruiken?” Maar met: “Wat heeft dit kind nodig om beter te kunnen slapen?”
Soms is slaaptraining helemaal niet nodig
Als je eerst kijkt naar wat er achter het slaapprobleem zit, kun je soms al veel verbeteren door daar iets aan te veranderen. De oplossing ligt dus niet altijd in het aanleren van ander slaapgedrag, maar kan ook liggen in het aanpassen van wat eraan voorafgaat.
Als de basis goed staat, kan de slaap soms vanzelf al verbeteren.
Pas als er daarna nog een patroon blijft bestaan dat de slaap belemmert, kun je kijken of en hoe je dat wilt veranderen.
Wat verstaan we eigenlijk onder slaaptraining?
Als er na het aanpassen van de basis nog een slaappatroon blijft bestaan dat je wilt veranderen, zijn er verschillende manieren om dat aan te pakken. Slaaptraining is namelijk geen vaste methode. Er bestaan verschillende slaapinterventies, met verschillende uitgangspunten.
Sommige methodes bouwen de hulp van de ouder bij het inslapen geleidelijk af. Andere methodes maken gebruik van extinctie. Daarbij zijn verschillende varianten mogelijk. Bij volledige extinctie reageert de ouder niet op het huilen van het kind. Bij graduele extinctie (ook wel ‘gecontroleerd laten huilen’ genoemd) wordt de reactie van de ouder volgens een vooraf bepaalde aanpak uitgesteld.
Slaaptraining betekent dus niet automatisch dat je je kind alleen laat huilen. Er zijn verschillende manieren om een slaappatroon te veranderen.
Wat zegt de wetenschap?
Onderzoek naar graduele extinctie laat zien dat deze aanpak bij sommige jonge kinderen kan helpen om het inslapen en nachtelijk wakker worden te verbeteren. In een gerandomiseerde studie bij 43 kinderen van 6 tot 16 maanden werden daarnaast geen aanwijzingen gevonden voor een ongunstige stressrespons tijdens de interventie. Twaalf maanden later werden ook geen verschillen gevonden tussen de groepen in emotionele of gedragsproblemen of in de veiligheid van de gehechtheidsrelatie.
Ook een andere gerandomiseerde studie naar gedragsmatige slaapinterventies, waarbij ouders begeleiding kregen van verpleegkundigen, vond vijf jaar later geen verschillen tussen de interventie- en controlegroep in onder andere emotioneel en gedragsmatig functioneren, slaap, stressregulatie, de ouder-kindrelatie en gehechtheid.
Dat is belangrijke informatie. We kunnen op basis van dit onderzoek dus niet stellen dat een kind door huilen tijdens een dergelijke slaapinterventie automatisch schade oploopt.
Maar daaruit volgt niet dat iedere vorm van laten huilen altijd nodig of passend is. Het onderzoek gaat over specifieke interventies en leeftijdsgroepen. De studies zijn bovendien relatief klein en onderzoek naar de langetermijneffecten van alle mogelijke vormen van ‘laten huilen’ is beperkt.
Ook de context van het kind en gezin speelt mee. De JGZ-richtlijn benadrukt dat bij het kiezen van een slaapinterventie rekening moet worden gehouden met de situatie en wensen van het gezin. Bij kinderen met trauma of hechtingsproblematiek, of wanneer er psychische problemen in het gezin spelen, worden graduele extinctiemethoden niet toegepast.
Voor mij is dat een belangrijk uitgangspunt: de vraag is niet alleen of een methode gemiddeld werkt, maar ook of deze aanpak past bij dit specifieke kind en gezin.
De wetenschap geeft ons dus geen simpel antwoord op de vraag of je een kind wel of niet moet laten huilen. We weten dat bepaalde gedragsmatige slaapinterventies effectief kunnen zijn en dat er in het beschikbare onderzoek geen duidelijke aanwijzingen zijn voor negatieve effecten op de ouder-kindrelatie. Welke aanpak passend is, vraagt vervolgens om een professionele afweging: wat past bij dit kind, deze ouders en hun relatie?
Even wachten is niet hetzelfde als laten huilen
Maar er is een belangrijk verschil tussen een kind bewust laten huilen als onderdeel van een slaapinterventie en niet bij ieder geluidje direct reageren.
Als je kind begint te huilen, hoef je niet altijd meteen naar je kind toe. Soms is het goed om eerst even te luisteren. Kinderen kunnen namelijk ook huilen of geluid maken terwijl ze nog slapen. Ook bij de overgang naar een volgende slaapcyclus kan een kind kort onrustig worden en soms lukt het om daarna zelf weer verder te slapen.
Door even te wachten, geef je je kind de gelegenheid om zelf weer tot rust te komen. Neemt het huilen toe of heeft je kind je nodig, dan kun je natuurlijk alsnog naar je kind toe gaan.
Waarom extinctiemethoden niet mijn voorkeur hebben
Hoewel onderzoek geen duidelijke aanwijzingen geeft dat graduele extinctie de gehechtheidsrelatie beschadigt, is het niet de aanpak waar mijn voorkeur naar uitgaat.
Dat is een professionele keuze, geen oordeel over ouders die hiervoor kiezen.
Ik vind het belangrijk om eerst te kijken wat er achter een slaapprobleem zit. Soms is er helemaal geen slaaptraining nodig. En wanneer er wel een patroon is dat veranderd moet worden, zijn er verschillende manieren om daarmee om te gaan.
Mijn voorkeur ligt niet bij een aanpak waarbij het bewust uitstellen van de respons op huilen onderdeel is van de slaapinterventie. Tegelijkertijd vind ik het ook niet nodig om huilen koste wat kost te voorkomen.
Mijn uitgangspunt is niet dat een kind nooit mag huilen. Maar ook niet dat een kind moet leren huilen zonder zijn ouder.
Tot slot
Er is geen perfect slaapschema en ook geen slaapmethode die voor ieder kind en ieder gezin werkt.
Een kind dat slecht slaapt, heeft daarom niet automatisch slaaptraining nodig. Soms vraagt de slaap om een aanpassing in het ritme, de dutjes, de bedtijd, het bedritueel of wat er overdag gebeurt. Soms is er daarna nog een patroon dat je wilt veranderen.
Mijn uitgangspunt is daarom: kijk eerst naar het waarom. Pas daarna naar het hoe.
Want beter slapen begint niet altijd met leren om anders te slapen. Soms begint het met begrijpen waarom slapen nu moeilijk is.
Herken je je in het zoeken naar een oplossing voor het slapen van je kind, maar weet je niet goed waar je moet beginnen? In een slaapconsult kijk ik samen met jullie naar het slaappatroon, de omstandigheden rondom de slaap en wat jouw kind nodig heeft. Van daaruit kijken we welke aanpassingen kunnen helpen en of er überhaupt een slaapinterventie nodig is.
Bronnen
Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ). JGZ-richtlijn Slaap. Actuele versie, geraadpleegd augustus 2026.
Gradisar, M., Jackson, K., Spurrier, N. J., et al. (2016). Behavioral interventions for infant sleep problems: A randomized controlled trial. Pediatrics, 137(6), e20151486.
Price, A. M. H., Wake, M., Ukoumunne, O. C., & Hiscock, H. (2012). Five-year follow-up of harms and benefits of behavioral infant sleep intervention: Randomized trial. Pediatrics, 130(4), 643–651.
Kahn, M., Juda-Hanael, M., Livne-Karp, E., et al. (2020). Behavioral interventions for pediatric insomnia: One treatment may not fit all. Sleep 43(4), zsz268.
De Vries, W., Van den Broek, M. & Quaedackers, J. (2023). Slaapproblemen bij kind en jeugd. Gedragstherapie, 56(2).



Opmerkingen